Concrete spelbegeleidingstechnieken bij de niet-speelwereld

pp.22-25_Van den Heuvel_HJK november 2017_FantasieIn HJK november is het artikel ‘Het kind speelt niet écht of ‘echt niet!’ verschenen over spelbegeleiding bij jonge kinderen in de niet-speelwereld. In het artikel wordt verwezen naar een overzicht van concrete suggesties voor verschillende situaties. Dit overzicht vind je hieronder. Concrete spelbegeleidingstechnieken bij de niet-speelwereld.

In onderstaand overzicht zie je links het gedrag dat een kind kan laten zien in de niet-speelwereld en rechts de acties die je als leerkracht kunt inzetten om het spel een positieve wending te geven. Het begint bij de niet-speelwereld, links in het schema van Vermeer (1955), dus waar het kind greep verliest op materiaal of fantasie. In het tweede deel zie je het gedrag die passend kunnen zijn bij het gedrag in de rechterkant van het schema, de normatieve wereld en de acties die je daarbij kunt inzette.

Observatie Actie
Het kind Begeleider/leerkracht
speelt met veel verschillende materialen;maakt er een rommeltje van; Samen met het kind kijken wat er nodig is en overbodig materiaal gestructureerd weg zetten, zodat het wel binnen handbereik staat. Soms misschien helemaal weg zetten. Dit wel in samenspraak, dus wat heb je nodig en waarvoor. Eventueel samen een spelplan bedenken.
heeft een (te) rijke fantasie; Als het kind doorslaat in fantasie en geen greep meer heeft op de situatie, kun je in samenspel of door te anticiperen het spel een bepaalde wending geven, weer terug richting realiteit. Verwoorden is hier ook helpend bij.(Het spel van een kind dat met een draak alles verslaat en geen oog meer heeft voor andere kinderen, kun je door langzaam, met een lage stem te zeggen dat de draak hier toch wel erg moe van wordt en dat het misschien tijd wordt om een dutje te doen, vertragen).
kan niet stoppen; Als je dit voorziet van te voren heldere tijdsgrenzen aangeven, eventueel met een time-timer. (alleen als het echt niet anders kan). Daarnaast een heldere, positief gestelde grens aangeven, eventueel gevolgd door een aantrekkelijk alternatief. ‘we gaan nu stoppen met spelen en dan gaan we…’ het helpt ook als je samen een aanzet maakt tot opruimen. ‘We doen het samen’.
speelt oppervlakkig en het spel is vluchtig;  Hier is vooral de techniek verwoorden en stimuleren op zijn plaats. Je begint met verwoorden(intonatie is hierbij van belang, langzaam praten om spel te vertragen) en als dat niet volstaat kun je nieuwe spelideeën aandragen, een begin van een thema uitspelen, een situatie neerzetten (bv een begin van een boerderij van duplo neerzetten). Door het samen beleven komt er vaak ook diepgang en betrokkenheid.
speelt rollen uit alsof ze werkelijkheid zijn;speelt bizarre thema’s, is soms gespannen; Als dit extreme vormen aan dreigt te nemen mag je aangeven dat we ‘doen-alsof’ of dat het ‘voor-de-nep‘ of ‘zogenaamd’ is. Dit helpt bij de bewustwording. Of je stapt even uit het spel, met termen als: ‘en nu gingen we…’Als dit niet helpend is en het houdt stand, roep dan professionele hulp in.
laat zich leiden door plotselinge invallen; Hierdoor dreigt het spel chaotisch te worden. Help het kind door te verwoorden zijn spel af te maken of een gebeurtenis af te ronden voordat het volgende idee ingevoegd wordt. ‘Oké, maar eerst gingen we nog …’ of ‘en toen…
kan zich niet houden aan (spel)afspraken; Probeer de afspraken voorafgaand aan het spelmoment te bespreken, het helpt het kind ze te laten tekenen of ze te visualiseren. Tussentijds kun je het kind eventueel herinneren aan de afspraak of er naar wijzen. Door even het spel mee te volgen en om te buigen is altijd helpend, mits je echt bij het spel van het kind blijft, dus altijd eerst kijken.
gebruikt de ruimte expansief; Als voorgaande afspraken hier niet bij helpen kun je op het moment dat het gebeurt samen met het kind gaan kijken wat er gebeurt. Dus lichamelijke betrokkenheid tonen en verwonderen en het kind laten verwoorden wat het ziet en zelf laten bedenken hoe het ook anders kan. Laten verwoorden wat hij nodig heeft om toch fijn te spelen in een beperktere ruimte. (een kind rent door de ruimte als Superman, passend bij zijn rol, maar stoort hierbij het spel van andere kinderen. Spreek het kind aan als Superman, en laat hem vanuit die rol zien wat er gebeurt. Superman is super en ziet wat er gebeurt en samen bedenk je een alternatief, bv alleen in de huishoek of buiten).
heeft soms ook grensoverschrijdend taalgebruik. Dit mag je begrenzen, als het gericht tegen een persoon is. Als dit gebeurt in het spel en niemand heeft er last van, is dit taalgebruik soms nodig voor het kind om het spel goed uit te spelen en gebeurtenissen kracht bij te zetten. Dus kijk zelf kritisch naar de momenten waarop het nodig is dit te begrenzen.

Rechterkant schema
Als het kind doorslaat aan de rechterkant van het schema zien we vaak onderstaande kenmerken, weergegeven aan de linkerkant in dit schema met rechts de interventies.

Observatie Actie
Het kind Begeleider/leerkracht
gebruikt weinig materiaal;gebruikt de ruimte beperkt; Door naast het kind te spelen met hetzelfde materiaal nodig je het kind uit en laat je zien dat het ook anders kan. Je hebt hierbij een voorbeeldfunctie. Laat de positieve effecten zien van meer materiaal of meer ruimte. Accepteer het als het kind er (nog) niet op in gaat. Tijd nemen helpt.
speelt zonder fantasie, heeft er weerstand tegen;speelt alleen thema’s uit de werkelijkheid; Accepteer dat dit zo is, het kind is er waarschijnlijk nog niet aan toe en begrijpt de symbolische functie van spel niet. Het kind kan nog niet ‘zogenaamd’ spelen. Neem dit wel als een signaal mee en bespreek eventueel met een deskundige. Mogelijk is er meer aan de hand.
maakt alles netjes, is erg opgeruimd;speelt amper rollenspel, en als het rollenspel laat zien, is het rigide, normatief;

 

Dit kan te maken hebben met de achtergrond van het kind, de thuissituatie of andere ervaringen. Onderzoek of er een bijzondere reden voor is. Als dat niet zo is kun je het kind uitnodigen bepaalde grenzen op te zoeken, maar altijd met respect, zonder te forceren. Een voorbeeld is als een kind niet met scheerschuim of vingerverf wil spelen omdat het niet fijn is aan de handen. Geef het kind dan een lepel of kwast als tussenstap. Bedenk ook altijd, hoe belangrijk is het dat het kind hier mee speelt. Als het kind hierdoor niet tot spel komt is het goed samen met het kind te onderzoeken wat het nodig heeft.
bootst een situatie zo ‘echt’ na dat het besef van spel weg is; Het kan zijn dat het kind iets heeft mee gemaakt dat het zo’n impact heeft gehad dat dit de enige manier is om het te verwerken. Mogelijk denkt een kind dat het ‘gewoon’ is. Hier is het belangrijk goed naar de inhoud van het spel te kijken. Wat is gerelateerd aan de werkelijkheid en wat zegt je onderbuik. Breng dit in kaart en bespreek met een deskundige.
houdt zich extreem aan de regels en kan niet ‘spelen’ met regels; Mogelijk is hem dit zo aangeleerd, en gaat hij ervan uit dat eenmaal aangeleerde regels niet veranderd kunnen worden. In dat geval kun je samen met het kind gaan onderzoeken hoe het voelt als het zich niet aan de regels houdt. Verwoordt belevingen, onzekerheden, maar probeer ook het plezier of de spanning samen op te zoeken. En bedenk bij je zelf hoe jij er in staat? Wat is jouw norm?
gedraagt zich aangepast of angstig; Hier komt veiligheid, rust, structuur en tijd weer aan bod. Maar ben ook uitnodigend, laat het kind spelen naast kinderen die rustig maar wel vrij spel laten zien, die niet bedreigend zijn. Laat het kind in een rustige hoek van het lokaal spelen, geef het veilig materiaal zoals duplo, puzzels, kralenplank waar vanzelfsprekend duidelijk is wat de bedoeling is. Geef het kind een plekje van waaruit het de hele groep kan overzien zodat het niet voor verrassingen komt. Geef het kind de tijd toe te kijken.